De ergste vijand was de honger | OuderENwijzer
Gezegd en gezwegen

De ergste vijand was de honger

Geschreven door: Stichting Oorlogsverhalen, Monica Boschman | Foto's: Anneke Schultspols, Stichting Oorlogsverhalen

 •  Leestijd: 4 minuten

Anneke Schults-Pols heeft als kind ruim drie jaar met haar moeder gevangengezeten in een Japans concentratie kamp. Nu vertelt ze op basisscholen over die tijd, omdat ook de oorlog in Azië niet vergeten mag worden.

Voor de oorlog was de vader van Anneke militair bij het KNIL in Nederlands-Indië. Tijdens zijn verlof in Nederland ontmoette hij Annekes moeder. Ze trouwden en gingen op Java wonen, in Bandoeng. Op deze idyllische plek werd in 1939 Anneke geboren. Toen in Nederland de Tweede Wereldoorlog uitbrak, leefde het jonge gezin nog in vrijheid. Maar begin maart 1942 viel het Japanse leger Java binnen en kort daarop was de Japanse bezetting van Nederlands-Indië een feit.

Als beesten vervoerd

Net als andere Nederlandse mannen werd Annekes vader krijgsgevangen gemaakt. Hij belandde in een Japans werkkamp en werd ingezet bij de aanleg van de Pakanbaru-spoorweg. Toen Anneke drie jaar oud was, werd ze met haar moeder gevangengenomen en naar kamp Tjideng gebracht. “We mochten alleen meenemen wat we konden dragen. Ik nam een pop penwagentje mee, met daarin fotoalbums en andere spulletjes. We werden in een geblindeerde goederentrein gepropt, als beesten bij elkaar. Het was bloedheet en ik was bang. Maar ik had een lieve moeder. Ze zei: ‘Niet huilen, het komt allemaal goed.’ Ik zat de hele reis tegen haar aan.”

In het overvolle kamp

Kamp Tjideng was een omheind deel van een armoedige buitenwijk van Batavia, het latere Djakarta (nog later Jakarta). In het overvolle kamp zaten vooral vrouwen en kinderen van Nederlandse en Indisch-Nederlandse afkomst. Veel mensen stierven door honger en gebrek aan medische zorg. Anneke: “We hadden het geluk dat wij op de overdekte galerij terecht kwamen. Daar hadden we een bed, afgescheiden door een gordijntje. We zaten niet zoals anderen opeengepakt in een kamertje en hadden daardoor ook minder last van ongedierte.”

Altijd maar buigen

Elke dag werden de gevangenen verzameld op een groot plein. “Dan moesten we in de houding gaan staan en werden we geteld. We moesten buigen, heel diep buigen. Wie niet diep genoeg boog, kreeg slaag. Als kind werd je niet geslagen, maar in jouw plaats kreeg je moeder klappen. Ook ‘s nachts moesten we vaak ons bed uit om in de houding op het plein te gaan staan.”

Honger, altijd honger

“We hadden een erg wrede kamp commandant”, vertelt Anneke. “Toch was de ergste vijand niet de Jap. Dat was de honger. Mijn moeder had het geluk dat ze in de gaarkeuken werkte. Ze gaf me soms gepikte kaantjes, verstopt in een doosje voor wybertjes. We waren altijd op zoek naar eten; ik at slakken, kikkers en boombladeren. Door de afrastering vroegen we inlanders om eten. Vrouwen ruilden dan bijvoorbeeld een armbandje voor wat voedsel. Maar als de Jap dat zag, werd je afgetuigd en moest je uren in de zon staan. Toen ik zes jaar werd, kreeg ik een banaan cadeau. Ik geloof dat ik die met schil en al heb opgegeten.”


Toen ik zes werd, kreeg ik een banaan. Die heb ik geloof ik met schil en al opgegeten

Vijand wordt beschermer

Na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki capituleerde Japan. Zo kwam op 15 augustus 1945 de Tweede Wereldoorlog ook in Azië ten einde. De mensen in de kampen wisten op dat moment van niets. “Maar op een dag vlogen er vliegtuigen over het kamp. Daar vielen pamfletten uit waarop stond dat de oorlog was afgelopen. De poort ging open, maar we mochten het kamp niet uit, dat was te gevaarlijk. De Jappen, die eerst onze vijand waren, moesten ons nu beschermen tegen de Indonesische opstandelingen.”

Dat is pappie niet

De mannen uit de werkkampen gingen op zoek naar hun vrouwen. “Ook mijn vader kwam, een enge magere man. Mijn moeder zei: ‘Kijk, dat is pappie.’ Ik antwoordde: ‘Dat is pappie niet, pappie zit in de koffer.’ Want iedere avond had mijn moeder een foto van mijn vader uit de koffer gehaald en die aan mij laten zien. Op die foto was mijn vader een mooie man.” Na de hereniging ging het gezin naar Nederland, een bootreis van zo’n twee maanden. In januari 1946 kwamen ze aan, in de sneeuw.

Terug naar Indië

Het gezin logeerde bij kleinbehuisde familieleden en moest steeds weer verkassen. “Er was altijd spanning. Mijn moeder zei steeds: ‘We moeten blij zijn dat we hier mogen zijn.’ Als ik gepest werd, durfde ik niets te zeggen. Alleen het laatste verblijf bij een zus van mijn moeder was fijn. Mijn vader ging als KNIL-militair al na drie maanden terug naar Nederlands-Indië, om in opdracht van de Nederlandse regering de orde te herstellen. Wij volgden een paar maanden later. Het was heel anders dan we ons hadden voorgesteld. In ons oude huis vonden we niets meer dat van ons was. Ook waren we als Nederlanders niet meer geliefd.”

Van opvangcentrum naar noodwoning

“Na het proces van dekolonisatie gingen we in 1950 definitief terug naar Nederland. Mijn ouders hadden gespaard voor een huisje, maar het geld was door de devaluatie niets meer waard. Het was de tweede keer dat we alles verloren. We hebben eerst een half jaar in de barakken van een opvangcentrum gewoond. Vervolgens kregen we een noodwoning. Ik schaamde me en durfde geen vriendinnetjes mee naar huis te nemen. Uiteindelijk kregen we een gewoon huis. Toen ik twaalf was, begon voor mij eindelijk mijn jeugd.”

Herkent u dit verhaal en wilt u erover praten?

Als moeder kunt u contact opnemen met Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder (www.stichtingdna.nl). Als kind dat is afgestaan kunt u terecht bij ViZ (www.verledeninzicht.nl). Beide organisaties behartigen belangen en verzamelen verhalen.

Reacties

Reactie

Uw e-mailadres wordt niet getoond. Alleen uw naam is zichtbaar bij de reactie.