Niet ‘verwerken’, maar leren dragen
In onze taal zit een stille opdracht verstopt: rouw moet vooruit. Richting afronding. Richting ‘weer normaal’. Richting een eindpunt. Keirse verzet zich daartegen. Hij gebruikt het woord verwerken liever niet meer. Niet omdat mensen niet bewegen. Niet omdat er nooit licht terugkomt. Maar omdat rouw geen jas is die u ophangt. Geen dossier dat u sluit. U kunt een kast opruimen. Maar niet een leven dat met een ander verweven was. En juist op hogere leeftijd is die verwevenheid vaak totaal. Niet alleen emotioneel, maar ook praktisch: samen zelfstandig zijn, samen de dagen dragen, samen de stilte vullen. Als die verbondenheid breekt, onderschatten we vaak wat er dan gebeurt. De leegte is niet alleen emotioneel, maar ook lichamelijk, sociaal en existentieel. “Ik heb geen pijn. Ik bén pijn.”
Rouw zit in het lichaam
Rouw is geen gedachte, maar een toestand van het hele lichaam. Keirse vertelt over concentratie die wegvalt, over vermoeidheid die ineens alles overspoelt, over boosheid en prikkelbaarheid die onverwacht opkomen. En over schuldgevoelens die zich vastzetten. Een misverstand dat veel schade doet, is het idee dat zulke reacties ‘niet kloppen’. Alsof rouwenden zich beter moeten gedragen. Dankbaar moeten zijn. Sterk moeten zijn. Maar boosheid is vaak gewoon pijn die geen kant op kan. En schuldgevoel, zegt Keirse, is vaak een teken van liefde en verantwoordelijkheid.